Dat het een uitermate persoonlijk project is, wordt snel duidelijk. Het centrale personage in de debuutfilm van bekende schrijfster Heleen van Royen (bestsellers als ‘De Gelukkige Huisvrouw’ of ‘De Hartsvriendin’) is haar eigen moeder, bij wie een beginnende vorm van dementie is vastgesteld. In de eerste beelden zien we een oudere vrouw in een rommelige ruimte zitten die tegen zichzelf praat.

Het is een aangename verrassing om te zien hoe sober dit project is aangepakt door de regisseur, die als mediafiguur in Nederland niet direct enige controverse uit de weg gaat. Het verhaal zit uitermate eenvoudig in elkaar en volgt de relatie tussen moeder en dochter in hun moeilijke tocht richting begeleid wonen. Met één camera en een beperkte technische ploeg toont ze zonder visuele trucs hoe zwaar de impact van het verlies van zelfstandigheid van haar moeder is. Een zin die vaak terugkomt is “Het doet zo zeer,” waarbij haar moeder deze situatie passend verwoordt. Dat de cineaste (en dochter) deze woorden een belangrijke plek geeft in haar documentaire is een meesterzet, want elke keer wanneer de zin uitgesproken wordt, voel je als kijker de pijn.

In deze humane schets van het verval van een menselijk bestaan, zitten ook veel mooie details waarbij de moeder steeds een mens blijft met gebreken. Zo blijft ze geweldig eigenzinnig, zelfs wanneer ze steeds meer de controle verliest over haar leven. De discussies tussen moeder en dochter zijn dan ook vaak hilarisch precies door de clash van twee sterke persoonlijkheden. De kracht van deze documentaire zit hem evenwel in de hoopvolle tocht naar een ander leven van een mens getroffen door dementie. Er vindt geen afzondering plaats. Samen met veel andere partners in de verzorging van haar moeder, komt er een project van begeleid wonen als oplossing naar voren.

Hoe eenvoudig de film ook is, de maatschappelijke relevantie is zeer groot omdat het terecht vragen oproept over het soort van verzorgingsmodel dat we willen hanteren voor wie getroffen wordt door dementie. ‘Het Doet Zo Zeer’ is een oproep om de mens voor de patiënt te plaatsen als iemand die recht heeft op een volwaardig leven en niet een leven opgedrongen krijgt waarin ze zich verloren voelen in hun eigen bestaan.