1. Nana van Emile Zola

Met stip op nummer één. Sommige boeken moet je meer dan eens lezen. Ze verdienen het om op elk keerpunt van je leven opnieuw ter hand genomen te worden. Nana, het verhaal van de mooie prostituee en zangeres uit het Parijs van de negentiende eeuw, is zo’n roman. Als veertienjarige begreep ik er geen snars van. Ik had geen enkel begrip voor zo’n lichtekooi, die misbruik maakte van haar onweerstaanbare macht als femme fatale. De jonge vrouw kan niet zingen of acteren, maar toch is elke voorstelling met haar in het duistere theatre de Bordenave uitverkocht. Mannen die haar zien, zijn onherroepelijk verloren. Ze staren als konijnen naar een lamp, wachtend op het genadeschot. Mannen van adel, kunstenaars, militairen, … Nana laat hen allemaal door het slijk kruipen. Ze leidt die protserige windbuilen een voor een naar hun ondergang. Ze haat de oppervlakkigheid en de schijnheiligheid van de bourgeoisie van Parijs. Ze spuwt op hen, letterlijk en figuurlijk, en op wat ze vertegenwoordigen.

Emile Zola beschrijft met een vlijmscherp scalpel de maatschappelijke verrotting van het Parijs in 1880, waarbij de adel zich nog even wentelt in de armen van het Franse keizerrijk, hopend op een terugkeer naar het conservatieve Ancien Regime. Tevergeefs. Tijdens de Frans-Duitse oorlog maakt Bismarck een einde aan de arrogantie van Parijs.

Pas nadat ik het boek voor de derde keer gelezen had, ik was ondertussen 19 jaar, kon ik genieten van de virtuositeit van Zola. Hoe grandioos hij zijn welgestelde lezers van toen een spiegel voorhield en kritiek spuide op de vergane moraal van een keizerrijk. Nana als wraakgodin, de ultieme zuiverende plaag. Frankrijk is verloren. Ik heb het boek ondertussen al vijf keer verslonden. Hoewel oud, is Nana heel vertaalbaar naar vandaag. Het is en blijft een absolute topper in mijn boekenlijst.

2. Pluk van de Petteflet van Annie M.G. Smidt, met weergaloze tekeningen van Fiep Westendorp

Ik was er zelf verzot op, die verhalen van de kleine, moedige Pluk. Ik had een geweldige juf in het vijfde leerjaar, mevrouw Snijkers, die kon voorlezen als de beste. Elke vrijdagmiddag werden we beloond met een van de veertig spannende vertelsels over die jongen met zijn rode kraanwagentje. De vanzelfsprekendheid waarmee Annie M.G. Smidt de jongen neerzet, is meesterlijk. Natuurlijk rijdt een kind alleen rond met zijn kraanwagentje, op zoek naar een huis. En het is evident dat hij kan praten met Dollie de duif en eekhoorntje Duizeltje. De tijd dat de dieren konden spreken, is ineens niet meer zo heel lang geleden. Je neemt het als luisteraar/lezer allemaal voor lief en je laat je zonder aarzeling meeslepen in het verhaal.

Extra leuk is dat er een tweede laag voor volwassenen in haar vertelsels zit, zoals in de oude sprookjes van Grimm, en dat maakt Pluk heel grappig wanneer je ineens als mama naast het bed van je kinderen zit voor te lezen. Pluk die het opneemt voor Zaza, de kakkerlak, tegen de overdreven poetszucht van mevrouw Helderder, bijvoorbeeld. Dat maakt van de kleine jongen eigenlijk de eerste milieuactivist uit de jeugdliteratuur. Mooi toch?

 

3. Kwaadschiks van A.F.Th. van der Heijden

Een waanzinnig boek, dat je in 1.200 pagina’s meeneemt in een rollercoaster van emoties, begrip voor het afglijden van de mens en woede, om zoveel onrechtvaardige toevalligheid. De veertiger Nico Dorlas, geslaagd reclameschrijver, borderliner en onverbeterlijk alcoholist met losse handjes, slaat helemaal door wanneer zijn zwangere vriendin Desy hem verlaat voor haar minnaar. Sappig detail: haar minnaar is de onderhoudsmecanicien van Dorlas’ apneu-apparaat. De manier waarop Van der Heijden iets schijnbaars onbenulligs als apneu weet te omschrijven is weergaloos. Zelf notoir snurker, beschrijft hij op briljante manier de irritante constante van apneu en het avondritueel van maskers en zuurstofslangetjes.

Van der Heijden houdt van dit soort weerhaakjes naar de werkelijkheid. Kwaadschiks  is trouwens helemaal geënt op een waar gebeurd drama, waarbij een 28-jarige hoofdagente is vermoord in Amstelveen. Ook hier was er sprake van een razende man die zich in de steek gelaten voelt door zijn ex-vriendin, en die haar wilde vermoorden. Het maakt het boek des te spannender en intelligenter. De verfijning waarmee de schrijver zijn personages een ziel geeft, is prachtig. Ernst Quispel, bijvoorbeeld,  Dorlas’ advocaat, wordt voortdurend heen en weer geslingerd tussen idealisme, realisme en cynisme. Het hele verhaal is zo realistisch en begripvol weergegeven, dat je als lezer nooit ‘zomaar’ kant kan kiezen. Behalve de proloog en de epiloog, is het boek opgebouwd rond de gebeurtenissen van die ene noodlottige dag: 9 juli 2008. Die ene dag die het leven van Nico Dorlas onherroepelijk vernietigt en waarop hij niet alleen zijn vriendin, maar ook zijn ongeboren kind, zijn werk en zijn vader verliest. De immense verlatingsangst en de zucht naar stilte (de dood) van Dorlas is in sommige hoofdstukken bijna tastbaar. Ondanks de rauwheid van het verhaal, blijf je als lezer vertwijfeld achter. Want hoe moeilijk is het om in een veroordeling, toch begrip te hebben? A.F.Th van der Heijden is een meester in het bespelen van de menselijke psyche en dat bewijst hij opnieuw met deze fantastische roman.

4. Ik, Ali van Günter Wallraff

Een fantastische journalist-reporter, die verslag brengt van zijn undercover reportages als Turkse gastarbeider. Dit boek kreeg ik voor mijn twaalfde verjaardag en ik moet eerlijk zeggen dat het me omver geblazen heeft. Wallraff duikt in een beerput die niemand wil open gooien. Hij vermomt hij zich als Turkse man, die werk zoekt. Wat hij tijdens zijn zoektocht tegen komt, toont het latente racisme in het Duitsland van de jaren ’80 in zijn meest lelijke vorm. Het boek is één lang relaas van uitbuiting en uitsluiting van een gastarbeider in het dagelijkse leven. De Duitse journalist beschrijft zijn ervaringen ongekleurd, droog en afstandelijk. Dat maakt het ongemakkelijke gevoel van onbehagen en onrechtvaardigheid des te groter. Vanaf het moment dat ik dit boek had gelezen, wist ik wat ik later wilde worden: journalist.